Nederland, Den Haag: Mauritshuis - tentoonstellingen
info:
Goude Eeuw

externe link:
Clara Peeters
In het Mauritshuis zijn ieder jaar verschillende tijdelijke tentoonstellingen die de moeite meer dan waard zijn. Onderstaande informatie is afkomstig uit persberichten en de website van het Mauritshuis m.u.v. de Holbein-tentoonstelling; die informatie is uit het voorwoord van de catalogus.

Zuiderburen: Portretten uit Vlaanderen 1400-1700
(7 september 2017 - 14 januari 2018)
Beter een goede buur dan een verre vriend. In het najaar van 2017 vertelt het Mauritshuis het verhaal van de Vlaamse portretkunst aan de hand van een keuze uit de beste Vlaamse portretten van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA).
In de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België) zijn tussen 1400 en 1700 prachtige portretten geschilderd. Edellieden en rijke burgers lieten zich graag vereeuwigen door de beste Vlaamse kunstenaars van hun tijd. Deze portretten maken nog altijd grote indruk. Ze zijn vaak zo geraffineerd geschilderd door onze zuiderburen dat ze ook na al die eeuwen nog springlevend lijken.
De tentoonstelling toont belangrijke werken van Rogier van der Weyden, Hans Memling, Pieter Pourbus, Peter Paul Rubens en Anthony van Dyck. Bijzonder is dat bijna alle geportretteerden geïdentificeerd kunnen worden. Zo leert de bezoeker niet alleen de kunstenaars kennen, maar ook de personen die zij hebben geportretteerd.
Speciaal voor deze tentoonstelling werd het bijzondere portret van Abraham Grapheus door de Antwerpse portretschilder Cornelis de Vos gerestaureerd. In het Mauritshuis is het voor het eerst weer in volle glorie te zien.
Wie waren die zuiderburen, nu op bezoek in het Mauritshuis? Hier stellen we alvast een paar interessante gasten voor.
Portret van Philippe de Croy door Rogier van der Weyden
De edelman Philippe de Croy (1434–1482) was volgens een eigentijdse geschiedschrijver slim, welbespraakt en diplomatiek. Hierdoor verwierf hij al jong een vooraanstaande positie aan het hof van de hertog van Bourgondië. Gedurende zijn loopbaan toonde hij zich een rasopportunist, die zonder scrupules de kant van de tegenpartij koos wanneer hem dat beter uitkwam.
Hij liet rond 1460 zijn portret schilderen door Rogier van der Weyden. Deze schilder was bijzonder geliefd aan het Bourgondische hof, omdat hij zijn modellen zowel levensecht als voornaam wist weer te geven. Het wekt dan ook geen verbazing dat de jonge en ambitieuze Philippe – hij is hier midden twintig – juist voor Rogier heeft gekozen. Met zijn hoekige gezicht, langgerekte neus en geprononceerde adamsappel is hij herkenbaar en tegelijkertijd gestileerd in beeld gebracht.
Hij maakt een biddend gebaar; zijn handen met de lange, dunne vingers spelen een prominente rol. Oorspronkelijk richtte Philippe zijn gebed tot Maria met het Christuskind, die stonden afgebeeld op de linkervleugel van het tweeluik waartoe dit paneel ooit behoorde.
Epitaaf van Nicolaas Rockox en zijn vrouw Adriana Perez door Peter Paul Rubens
Niet iedereen liep met zijn status te koop. De schatrijke Nicolaas Rockox (1560–1640) was in zijn tijd de machtigste man van Antwerpen. Toch liet hij zich samen met zijn vrouw Adriana Perez (1568–1619) opvallend sober portretteren.
Peter Paul Rubens schilderde hen op de zijluiken van een triptiek. Nicolaas kijkt op uit zijn gebedenboek, met de vinger nog tussen de pagina’s van zijn laatste gebed, terwijl Adriana één van de kralen van haar gebedssnoer vasthoudt.
Het middenpaneel, waar Christus zijn kruiswonden toont aan drie discipelen, laat als het ware zien wat het paar tijdens het gebed spiritueel ervaart. Dat hun vroomheid hier voorop staat, heeft te maken met de functie van het drieluik als epitaaf – een gedenkteken voor een overledene dat in de buurt van het graf werd geplaatst. Rubens schilderde het in 1613–1615, toen het kinderloze echtpaar nog in het volle leven stond. Maar in 1619 overleed Adriana vrij plotseling en hoewel hij haar twee decennia overleefde, is Nicolaas nooit hertrouwd. Na zijn dood werd hij bijgezet in haar graf. Het drieluik hing daar vlak naast, zodat het gebed van het echtpaar ook na hun dood bleef voortduren.
Portret van Abraham Grapheus door Cornelis de Vos
Meestal werden portretten geschilderd in opdracht van de geportretteerde of diens familie. In het geval van Abraham Grapheus kwam het idee van de schilder Cornelis de Vos. Hij schonk het portret in 1620 aan de gildekamer van het Antwerpse Sint-Lucasgilde, toen hij daarvan deken (hoofdbestuurder) was. Met zijn karaktervolle kop was de oude Grapheus een bekend gezicht in het Antwerpse schildersmilieu. Als ‘knaep’ (een soort huismeester) zorgde hij voor het dagelijkse reilen en zeilen van het Sint-Lucasgilde. Tot zijn vele taken behoorde ook het organiseren van de gildefeesten.
De Vos heeft Grapheus afgebeeld zoals hij hem bij dergelijke feesten vaak moet hebben meegemaakt. Met een schort om zijn middel en een schenkkan in de hand kijk hij streng naar iets dat zich buiten het beeldvlak afspeelt, klaar om in te grijpen. De versierselen op zijn borst zijn zogenoemde breuken: zilveren draagtekens in de vorm van een schild die toebehoorden aan het gilde.
Dit bijzondere portret werd speciaal voor de tentoonstelling gerestaureerd. Na het verwijderen van de sterk verdonkerde vernis kwam de oorspronkelijke verflaag vrijwel geheel intact tevoorschijn. Hierdoor is nu weer goed is te zien hoe virtuoos het portret is geschilderd.


Steen & Jordaens: Zoals de ouden zongen…
(11 juli 2017 - 14 januari 2018)
In het Mauritshuis vindt u tijdelijk niet één, maar twee voorstellingen van het spreekwoord Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen. Ons grote schilderij van Jan Steen heeft namelijk gezelschap van een schilderij van Jacob Jordaens, een bruikleen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Een mooie gelegenheid om deze twee vrolijke schilderijen eens met elkaar te vergelijken en te ontdekken hoe twee verschillende kunstenaars dit onderwerp aanpakten.
Jacob Jordaens’ Soo d’ouden songen, soo pepen de jongen
Op het eerste gezicht lijkt het of Jacob Jordaens het spreekwoord op zijn schilderij heel letterlijk in beeld heeft gebracht. Drie generaties van een familie musiceren onder leiding van de grootvader. Een jongetje speelt op zijn blokfluit en het kind op schoot blaast op het fluitje van zijn rammelaar. Achter de tafel blaast de vader op zijn doedelzak zijn wangen bol. Voor alle duidelijkheid voegde Jordaens de spreuk zelf als een opschrift aan de voorstelling toe: Soo d’ouden songen, soo pepen de jongen.
Maar wie goed kijkt ontdekt een dubbele boodschap. Zo was de doedelzak een instrument van het laagste allooi dat bij uitstek negatieve associaties kon oproepen. Het gevederde hoedje van de moeder geeft haar een wat lichtzinnig karakter, veren werden in de zeventiende eeuw geassocieerd met ijdelheid. Deze volwassenen zijn niet in staat het goede voorbeeld te geven, maar worden door hun kinderen toch ijverig ‘na-gepijpt’ op hun fluitjes.
Jan Steens Soo voer gesongen, soo na gepepen
Toen Jan Steen eind jaren 1660 hetzelfde spreekwoord schilderde, nam hij het idee van de drie generaties over van zijn Vlaamse voorganger. Ook heeft hij diverse motieven aan hem ontleend: de moeder met het kind op schoot, de doedelzakspeler en de zingende grootmoeder met het knijpbrilletje op haar neus. Maar waar bij Jordaens het gezelschap rond de tafel nog enigszins beschaafd oogt, gaat het er bij Steen veel losbandiger aan toe.
De familie is samengekomen rond een tafel waar een moeder met een klein kind op schoot in het hart van de voorstelling zit. Scheef op het hoofd van de lachende oude man prijkt een kraamherenmuts, het hoofddeksel dat traditioneel door de vader wordt gedragen tijdens de doop van een kind. Maar het kind is te oud om een dopeling te zijn en de man heeft niet meer de leeftijd van een nieuwbakken vader. Hier is een soort wereld op zijn kop te zien, zoals ook blijkt uit het gedrag van de ouderen.
Onbeschaamd geven de volwassenen hun slechte gewoontes door aan de jeugd. Links laat een onderuitgezakte vrouw met een halfopen bloesje zich haar wijnglas nog eens volschenken. De lachende man rechts – Steen zelf – spot met zijn vaderlijke plichten door zijn zoontje te leren roken; zo wordt het na-pijpen letterlijk in beeld gebracht. Links in de hoek zit een papegaai op een stok, net als de jeugd een echte naprater.
Waarschuwing
Het spreekwoord dat op deze kleurrijke schilderijen van Jordaens en Steen is weergegeven waarschuwt tegen de gevolgen van een slechte opvoeding, maar kan ook nog op een andere manier worden uitgelegd. Jacob Cats, die in 1632 een spreekwoordenboek publiceerde, bracht 'Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen' samen met verwante spreekwoorden onder het hoofdstuk '`t Wil al muysen wat van katten komt'. Ofwel: zoals een kat naar zijn aard op muizen jaagt, zo is de menselijke natuur aangeboren en onveranderlijk.
In dat licht zou de opvoeding irrelevant zijn voor de ontwikkeling van een kind. Het kooitje met mee-piepende vogeltjes aan de wand bij Steen wijst misschien ook in die richting, want 'elk vogeltje zingt zoals het gebekt is'. Dan maakt het niet meer uit of volwassenen het goede voorbeeld geven aan de jeugd of niet.
Kijken en vergelijken
De Grootmoeder: De gelijkenis tussen de zingende grootmoeders is opvallend. Een knijpbrilletje op haar neus, haar aandacht gevestigd op het blad in haar hand. Het is erg waarschijnlijk dat Steen de voorstelling van Jordaens goed kende via een prent die Jordaens ervan had laten maken.
De onzedige vrouw: Een open decolleté, een volgeschonken glas. De dame links op het schilderij van Jan Steen is niet bepaald het beste voorbeeld voor de kinderen. De stoof met gloeiende kooltjes onder haar rokken gaf haar wellicht zelfs een erotische lading. Maar laat u zich ook vooral niet misleiden door de keurige moeder op het schilderij van Jordaens. De veren op haar hoedje werden in de zeventiende eeuw geassocieerd met ijdelheid.
De doedelzak: In beide voorstellingen wordt de doedelzak bespeeld. Dat is niet voor niets, het instrument (indertijd ook wel ‘lullepijp’ genoemd) werd bij uitstek in verband gebracht met de lagere sociale klasse en had een negatieve bijklank.
De vader: Bij Jordaens maakt de vader als bespeler van de doedelzak geen beste indruk. Maar de vader op het schilderij van Steen (Jan Steen zelf) maakt het nog bonter. Schaterend leert hij zijn zoontje de pijp te roken. Dat Steen zichzelf deze rol laat spelen, getuigt van een zelfspot die de voorstelling extra grappig maakt.
Hond: Op beide voorstellingen zorgt een hond voor extra levendigheid. Maar waar het dier bij Jordaens onderdeel is van de voorstelling - hij spitst aandachtig zijn oren en luistert naar het gezang van de familie - is de rol van de hond op de voorgrond bij Jan Steen niet helemaal duidelijk. Hij richt zijn aandacht niet op de familie maar op iets buiten de voorstelling.
Het spreekwoord
Voor alle duidelijkheid voegde Jordaens de spreuk als een opschrift aan de voorstelling toe: ‘Soo d’ouden songen, soo pepen de jongen’ staat er op de cartouche bovenin. Ook Jan Steen laat de spreuk terugkomen in zijn voorstelling, namelijk in het blad dat de grootmoeder in haar hand heeft. ‘Soo voer gesongen, zo na gepepen’, wijst zij met haar vinger aan.


Slow Food. Stillevens uit de Gouden Eeuw
(9 maart 2017 - 25 juni 2017)
Slow Food is de eerste tentoonstelling die zich exclusief toelegt op het maaltijdstilleven. Ze toont de ontwikkeling van het vroege maaltijdstilleven in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Vanaf 1600 gingen Vlaamse, en vervolgens ook Hollandse kunstenaars schilderijen maken van maaltijden.
Maaltijdstillevens
Het maaltijdstilleven is een nog weinig onderzocht fenomeen uit de Hollandse en Vlaamse schilderkunst. Dit type schilderij werd omstreeks 1600 door Antwerpse kunstenaars in de schilderkunst geïntroduceerd. Spoedig daarna werden ook in Haarlem maaltijdstillevens geschilderd. Als voorloper wordt een stilleven van de Antwerpse schilder Joachim Beuckelaer uit omstreeks 1560–1565 getoond. Op de achtergrond van dit grote schilderij zijn nog Bijbelse figuren afgebeeld, Christus en de Emmaüsgangers. De nadruk ligt echter al op de uitgestalde etenswaren op de voorgrond. 
Clara in de hoofdrol
In Antwerpen werkten omstreeks 1600 twee schilders die door hun relatief omvangrijke productie als de pioniers van het maaltijdstilleven beschouwd worden: Osias Beert en Clara Peeters. De twee maaltijdstillevens van Beert die in de tentoonstelling zijn opgenomen, hebben een donkere achtergrond waartegen het doorzichtige, glimmende glaswerk mooi afsteekt. Op beide stillevens is een keur aan schalen en borden te zien, gevuld met oesters, koekjes, vruchten of suikerwerk. De Vlaamse schilderes Clara Peeters, van wie het Mauritshuis in 2012 een sleutelstuk verwierf, is met maar liefst zes werken in de tentoonstelling vertegenwoordigd. Peeters is vermoedelijk de eerste vrouwelijke schilder van zelfstandige stillevens in de Nederlanden.
Antwerpen en Haarlem
Het maaltijdstilleven kwam niet alleen tot grote bloei in Antwerpen, maar wat later ook in Haarlem. Beide steden hadden van oudsher artistieke banden met elkaar, al was het maar omdat veel Haarlemse kunstenaars, of hun ouders, hun wortels hadden in Antwerpen.  De grondleggers van het maaltijdstilleven in de Noordelijke Nederlanden zijn de Haarlemmers Floris van Dijck en Nicolaes Gillis. De twee schilderijen van Van Dijck in de tentoonstelling tonen een relatief hoog gezichtspunt en een donkere achtergrond. In beide voorstellingen nemen gestapelde kazen een prominente plek in. Die kazen zien we ook op een maaltijdstilleven van zijn stadgenoot Gillis. Dit paneel is zelfs zo verwant aan Van Dijcks maaltijdstillevens dat aangenomen kan worden dat Gillis diens werk goed gekend heeft.
Ontwikkeling
De meeste vroege maaltijdstillevens hebben een vergelijkbare opzet. Schilders kozen voor een hoog standpunt, waardoor we van bovenaf op de gedekte tafels kijken. De objecten en etenswaren zijn weergegeven in een rijk geschakeerd coloriet en steken duidelijk af tegen de donkere achtergrond. Kort voor 1630 introduceren Pieter Claesz en Willem Heda in Haarlem een belangrijke vernieuwing. Ze brengen de kleuren in hun schilderijen terug en werken in een monochroom palet van vooral bruinen en grijzen. Bovendien kiezen ze hun standpunt wat lager en plaatsen de objecten in diagonale composities. Zo staan de objecten minder op zichzelf en ontstaat er samen met het monochrome palet meer eenheid in de voorstelling.
Interpretatie
Kunsthistorici hebben geprobeerd betekenissen te vinden in deze voorstellingen, maar de interpretatie blijft een lastig vraagstuk. In talloze stillevens uit de zeventiende eeuw ligt een vergankelijkheidsgedachte besloten en maaltijdstillevens vormen op deze regel geen uitzondering. Zo is de vanitas-symboliek op maaltijdstillevens van Claesz en Heda expliciet gemaakt door een horloge in de voorstelling op te nemen. Een goede maaltijd geldt tegenwoordig als een teken van welvaart en welbevinden, maar de vraag dringt zich op of de grote overvloed van etenswaren op de schilderijen niet beschouwd moet worden als aansporing tot matigheid. Op diverse schilderijen van Peeters staat in elk geval het woord ‘TEMP[ERANTIA]’ (matigheid) op het heft van een prominent weergegeven mes. Daarmee heeft zij mogelijk een diepere lading aan haar voorstellingen willen geven.
Verbluffende details
De wijze waarop de details in de geselecteerde maaltijdstillevens zijn uitgewerkt, is verbluffend. Deze vergaande detaillering is bepalend voor het waarheidsgetrouwe karakter van deze schilderijen. De stofuitdrukking is fenomenaal, evenals de lichtreflecties op de verschillende materialen. Zo wist Peeters op haar maaltijdstilleven in het Mauritshuis de wat brokkelige structuur van de grootste kaas en de afgeschaafde boterkrullen op het bord tot in de kleinste details na te bootsen. Ook de lichtreflecties op het heft van het mes werkte zij heel geraffineerd uit, in een onverwacht losse en energieke toets. 
Eenzelfde virtuositeit komen we tegen bij Claesz en Heda. Zo is op Heda’s indrukwekkende schilderij (zie plaatje) uit 1635 van het Rijksmuseum te zien hoe de kunstenaar excelleerde in de weergave van de lichtreflecties op het grote glas. We zien daarop niet alleen het uit een raam binnenvallende licht gereflecteerd, maar ook de zachte weerschijn van een zilveren tazza en een vergulde bokaal. De weerspiegeling oogt als een verfijnd draadwerk op het glas en is een fraai staaltje van het vakmanschap dat zo kenmerkend is voor de vroege maaltijdstillevens. 


Hollanders in huis: Vermeer en tijdgenoten uit de Britse Royal Collection
(29 september 2016 - 5 februari 2017)

Het Britse koningshuis bezit een van de mooiste verzamelingen oude schilderijen ter wereld. De collectie is in vele eeuwen door verschillende vorsten bijeengebracht. Meestal hangen de schilderijen achter gesloten deuren, maar het Mauritshuis kan er dit najaar tijdelijk tweeëntwintig laten zien.
De befaamde Royal Collection, beheerd door Hare Majesteit Koningin Elizabeth II, bevat hoogtepunten uit de oeuvres van bekende schilders als Gerard ter Borch, Gerrit Dou, Pieter de Hooch, Gabriël Metsu en Jan Steen. Voor deze tentoonstelling zijn genrestukken geselecteerd van Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw. Hier is het leven zelf te zien: vechtende boeren, flirtende dames en heren, maar ook liefdevolle moeders of een gewone winkelier.
Johannes Vermeer
Absoluut hoogtepunt van de tentoonstelling is Dame aan het virginaal met een heer ('De muziekles') van Johannes Vermeer. 'De muziekles' is één van de zeldzame stukken van Johannes Vermeer van wie in totaal 36 schilderijen bewaard zijn gebleven. Het schilderij uit omstreeks 1660-1662 toont een dame en een heer bij een virginaal. Boven dit muziekinstrument hangt een spiegel die de voet van de schildersezel van Vermeer weerspiegelt. Zonder twijfel staat de muziek in dit schilderij symbool voor de liefde, wat nog eens benadrukt wordt door de Latijnse spreuk op het virginaal. Het schilderij is in 1762 verworven door de Engelse koning George III, maar stond toen nog te boek als een werk van Frans van Mieris de Oude. Pas later werd duidelijk dat het om een werk van Vermeer ging.
Jan Steen
Een ander hoogtepunt in de tentoonstelling is Vrouw in een slaapkamer van Jan Steen uit 1663. We zien een vrouw die, te oordelen naar de striemen boven haar kuiten, haar sok echter niet aan- maar uittrekt, waarbij ze de toeschouwer aankijkt. Ook hier is sprake van een amoureuze context. Tijdgenoten waren dol op dit soort voorstellingen. Dat lichamelijk genot vergankelijk is, maakte Steen duidelijk door de schedel in de deuropening af te beelden, onder een luit met een gebroken snaar.

Hollandse zelfportretten - Selfies uit de Gouden Eeuw (8 oktober 2015 - 3 januari 2016)
Veel Nederlandse kunstenaars uit de zeventiende eeuw hebben zelfportretten geschilderd, meer dan in enig ander land. Sommige schilders zoals Rembrandt waren specialisten, van anderen is slechts één zelfportret bekend. De variatie was groot, met palet en penselen als meest voorkomende attributen. Het hoge aantal zelfportretten had alles te maken met de stijging van de schilderijenproductie in die tijd. De concurrentie was groot, dus was het zaak je als schilder goed in de markt te zetten. Het zelfportret kon helpen om jezelf en je werk een ‘gezicht’ te geven. Het zelfportret was daarmee niet alleen een portret van de schilder maar vaak ook een statement over zijn of haar werk.
Zelfportretten staan, dankzij de moderne selfie, volop in de belangstelling. Met de smartphone kan iedereen een zelfportret maken om die snel te delen met vrienden en bekenden. Miljoenen mensen denken daardoor regelmatig na over de vraag hoe zij zich aan anderen willen presenteren. Wie de zeventiende-eeuwse zelfportretten bekijkt, kan de vergelijking met de moderne selfie gemakkelijk maken. Toch is er een groot verschil. Waar de moderne selfie gemakkelijk, soms haast achteloos, wordt gemaakt was voor het schilderen van een zelfportret in de zeventiende eeuw een lange opleiding en groot vakmanschap nodig. Juist aan zelfportretten besteedde de kunstenaar veel aandacht. Het zijn vaak goed geschilderde portretten waarop we kunnen zien hoe de schilder zich aan de wereld wilde presenteren. Daarnaast kon een zelfportret dienen als voorbeeld van de eigen kunst van de schilder, niet alleen van zijn talent om een goede gelijkenis te treffen, maar ook van zijn vaardigheden bijvoorbeeld op het gebied van de stofuitdrukking: het zelfportret als visitekaartje voor de schilder.
De tentoonstelling bood een beknopt overzicht van het genre. Aan de hand van zevenentwintig schilderijen werden de diverse typen zelfportretten toegelicht: portretten als ‘heer van stand’, zelfportretten met anderen (bijvoorbeeld familieleden), zelfportretten met een stilleven, zelfportretten in een rol (zoals een jager) en zelfportretten met beroepsattributen (palet, penselen, ezel). Tot de hoogtepunten behoorde het Zelfportret achter ezel van Judith Leyster, een van de succesvolste vrouwelijke kunstenaars uit de Gouden Eeuw. Het was afkomstig uit de National Gallery of Art, Washington. Leyster draait zich lachend om terwijl ze werkt aan een schilderij van een vrolijke vioolspeler, afkomstig uit een van haar eigen voorstellingen. Bijzonder origineel is het Zelfportret van Huygh Voskuyl (afbeelding linksboven), beeldmerk van de tentoonstelling. Hij kijkt de bezoeker over zijn schouder aan. Zijn haren pieken onder zijn muts uit, zijn kaken zijn ongeschoren en zijn rossige snor is flink uitgegroeid. Zijn gefronste blik geeft het zelfportret het karakter van een momentopname, alsof hij reageert op onze plotselinge aanwezigheid. Carel Fabritius – een van Rembrandts meest getalenteerde leerlingen – was ongeveer vijfentwintig jaar oud toen hij zijn zelfportret schilderde. Zijn virtuoze manier van schilderen doet denken aan zijn leermeester: zo hier en daar is de voorstelling bijna geboetseerd in de verf.
In de tentoonstelling kwamen bezoekers niet alleen oog in oog te staan met legendarische schilders als Jan Steen, Rembrandt, Carel Fabritius en Gerrit Dou, maar kwamen ook zichzelf tegen. Dankzij een ontwerp met spiegelwanden stonden bezoekers zelf in de spotlights, waardoor zij zich constant bewust waren van hun eigen presentatie aan de buitenwereld. De film die in de tentoonstellingszaal werd getoond, liet zien voor welke keuzes de kunstenaar in de zeventiende eeuw kwam te staan bij het maken van een zelfportret en wat de selfiemakende mens daarvan kan leren.

Rembrandt? De zaak Saul en David (11 juni - 13 september 2015)
Het Mauritshuis heeft een van zijn beroemdste Rembrandts terug. Het volledig toeschrijven van het schilderij "Saul en David" aan Rembrandt is de spannende conclusie van acht jaar onderzoek door een groot team van internationale experts onder leiding van het Mauritshuis. Het schilderij is zorgvuldig gerestaureerd en vormde het middelpunt van de tentoonstelling "Rembrandt? De zaak Saul en David", die van 11 juni tot en met 13 september 2015 te zien was in het Mauritshuis. Deze tentoonstelling liet je als bezoeker kennis maken met de nieuwste restauratie-technieken en onderzoeksmethodes. In vier interactieve colleges werden de fascinerende ontdekkingen gevolgd van het onderzoeksteam dat aan de restauratie heeft gewerkt. iPads boden de mogelijkheid om ook zelf achter de verflagen te kijken en zo de geheimen van de zaak Saul en David te ontrafelen.
Rembrandts "Saul en David" stond in de tentoonstelling uiteraard centraal. Voor het eerst sinds 2007 was het doek weer voor publiek te zien. Daarnaast werden ook zes bruiklenen (waaronder Rembrandts "David bespeelt de harp voor Saul" uit het Städel Museum, Frankfurt) en een 3D reconstructie van Saul en David op het oorspronkelijke formaat van het schilderij getoond.
Het onderzoek naar het schilderij had veel weg van een ‘Crime Scene Investigation’. Zo is het meesterwerk vermoedelijk tussen 1830 en 1869 in twee stukken gesneden en later weer in elkaar gezet. Met behulp van de nieuwste apparatuur en onderzoeksmethodes is duidelijk geworden dat het huidige schilderij uit niet minder dan 15 verschillende stukken doek bestaat: twee grote stukken van het oorspronkelijke doek (één met Saul en één met David), aangevuld met een oud doek (een kopie naar een portret van Anthony van Dyck) en andere repen aan de zijkanten van het schilderij. Het onderzoek wijst bovendien uit dat het oorspronkelijke schilderij groter is geweest.
Het schilderij "Saul en David" dook voor het eerst op in 1830 op een veiling in Parijs. Het bleef toen jaren in de handel totdat het door Mauritshuisdirecteur Abraham Bredius in 1898 werd aangekocht. Voor hem bestond er geen twijfel dat het hier om een van de belangrijkste schilderijen van Rembrandt ging. Na zijn dood in 1946, liet hij het schilderij na aan het Mauritshuis. Saul en David werd beschouwd als één van de mooiste werken van Rembrandt en was een favoriet van de bezoekers. In de jaren ’60-’70 werd het oeuvre van Rembrandt opnieuw bekeken. Horst Gerson, Rembrandtspecialist en een autoriteit in zijn tijd, schreef veel schilderijen van Rembrandt af, waaronder ook "Saul en David". Sindsdien lopen de meningen over de toeschrijving sterk uiteen: is het van Rembrandt? Van een leerling? Of misschien wel van beiden? Om uit deze impasse te komen besloot het Mauritshuis in 2007 het schilderij opnieuw te onderzoeken en restaureren. Dit onderzoek en de resultaten daarvan zijn het onderwerp van de tentoonstelling.
Vorig jaar publiceerde Ernst van de Wetering het schilderij echter als een werk dat helemaal door Rembrandt is uitgevoerd, omstreeks 1646 en rond 1652. Het volledig toeschrijven van "Saul en David" aan Rembrandt is ook de conclusie van acht jaar onderzoek door een groot team van internationale experts onder leiding van het Mauritshuis.

The Frick Collection - Kunstschatten uit New York (5 februari - 10 mei 2015)
In het hart van New York, prachtig gelegen met zicht op Central Park, prijkt The Frick Collection. Een geliefd museum, geroemd om de hoge kwaliteit van de collectie. Voor het eerst leent The Frick Collection een groot deel van haar wereldberoemde verzameling uit: maar liefst 36 meesterwerken zijn te zien in het Mauritshuis. De tentoonstelling bevat werk van kunstenaars die niet of nauwelijks vertegenwoordigd zijn in Nederlandse museale collecties, zoals Cimabue, Van Eyck, Gainsborough, Constable en Ingres.
De tentoonstelling bestaat uit kunstwerken uit de 13de tot en met de 19de eeuw: schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken en toegepaste kunst. Zo geeft de tentoonstelling een representatief beeld van het afwisselende karakter van deze topcollectie. Een onbetwist hoogtepunt is het betoverende portret van de Comtesse d’Haussonville van Jean-Auguste-Dominique Ingres – een meesterwerk dat is uitgegroeid tot een icoon van The Frick Collection. Ook andere portretten, van Fricks favoriete kunstenaars Gainsborough en Reynolds, schitteren op de tentoonstelling.
Naast portretten zijn ook landschappen een belangrijk genre binnen The Frick Collection. Jacob van Ruisdaels monumentale Landschap met voetbrug uit 1652 werd speciaal voor de tentoonstelling gerestaureerd. Ook John Constable’s spectaculaire Het witte paard, een sleutelstuk in zijn oeuvre, is naar Den Haag gekomen.
The Frick Collection heeft één van de belangrijkste Amerikaanse verzamelingen beeldhouwkunst, wat in de tentoonstelling wordt getoond met meerdere topstukken, waaronder Francesco Laurana’s ontroerende portretbuste van Beatrice van Aragon en de bronzen Hercules van Antico, beide uit de vijftiende eeuw. Een ander uitmuntend beeld is de fenomenale portretbuste van Louis-Étienne Vincent-Marniola door Joseph Chinard uit 1809.
Een belangrijk aspect van The Frick Collection is de verzameling toegepaste kunst, met bijzonder porselein, waardevolle klokken en zeldzaam renaissance aardewerk. Dit wordt in de tentoonstelling belicht met een unieke Sèvres vaas, een rijk gedecoreerde klok en een perfect bewaarde majolicaschaal uit het atelier van Orazio Fontana.
Een relatief onbekend onderdeel van de New Yorkse verzameling is de kleine, maar uiterst verfijnde collectie tekeningen. Deze kwetsbare werken zijn weinig te zien, wat het extra bijzonder maakt dat maar liefst acht schitterende tekeningen van onder meer Pisanello, Altdorfer, Rubens, Goya en Tiepolo te bewonderen zijn.

Leven in de brouwerij, Jan Steen in het Mauritshuis (3 maart t/m 13 juni 2011)
Het Mauritshuis bezit veertien schilderijen van Jan Steen, waaronder enkele onbetwiste hoogtepunten zoals ‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’, ‘Het oestereetstertje’ en ‘De hoenderhof’. De tentoonstelling Leven in de brouwerij is opgebouwd rond deze topstukken. Zo kan het publiek kennismaken met Steens ongeëvenaarde talent als verhalenverteller. In de laatste zaal van de tentoonstelling is tijdelijk een atelier ingericht. Daar zal Sabrina Meloni, restaurator van het Mauritshuis, twee werken behandelen: Het doktersbezoek en Dansende boeren bij een herberg. Zo kan de bezoeker meekijken over de schouder van de restaurator.
Jan Steen (1626-1679) staat bekend om zijn komische voorstellingen van verlopen huishoudens, kwakzalvers en minzieke meisjes. Maar zijn oeuvre bevat ook serieuzere onderwerpen. Steen is een rasverteller met een grote voorliefde voor het leven van alledag én een uitstekend schilder met een bijzondere techniek. Op de tentoonstelling staan Steens schilderijen uit het Mauritshuis centraal, aangevuld met enkele bruiklenen. Download persbericht

Made in Holland. Oude Meesters uit een Amerikaanse privéverzameling (4 november 2010 t/m 30 januari 2011)
Het Mauritshuis toont een representatieve selectie van hoogtepunten uit de bijzondere collectie van het verzamelaarsechtpaar Eijk en Rose-Marie de Mol van Otterloo. De tentoonstelling bevat 44 topstukken van Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw van uitzonderlijke kwaliteit en met verrassende thematiek. De selectie omvat werken van o.a. Rembrandt, Frans Hals, Paulus Potter, Jan Steen en Hendrick Avercamp. Voor het eerst wordt een unieke kans geboden om deze zelden in het openbaar getoonde kunstschatten in deze samenstelling met eigen ogen te kunnen zien. Download persbericht

Familie Craeyvanger (10 februari 2010 t/m 16 januari 2011)
Het Mauritshuis toont tien uitzonderlijke portretten van de Arnhemse familie Craeyvanger. Het betreft de enige reeks 17de-eeuwse portretten van leden van één gezin (vader, moeder en acht kinderen) die bewaard is gebleven. De serie was bij het grote publiek onbekend totdat de schilderijen in 2009 op een veiling te koop werden aangeboden. De huidige eigenaar heeft ze nu in bruikleen aan het Mauritshuis afgestaan. Hiermee wordt dit bijzondere ensemble voor het eerst in Nederland voor het publiek tentoongesteld.
Download persbericht

De jonge Vermeer (12 mei t/m 22 augustus 2010)
Voor de eerste keer in Nederland toont het Mauritshuis de drie vroegste werken van Johannes Vermeer (1632-1675), de meest geliefde schilder uit de Hollandse 17de eeuw. Deze jeugdwerken zijn anders dan we van Vermeer gewend zijn. Geen rijke interieurs met aantrekkelijke vrouwen, maar een mythologische scène, een Bijbels verhaal en een pikante scène uit het dagelijkse leven. Bovendien zijn ze opvallend groot. Toch verraden alle drie de hand van Vermeer en tonen ze al zijn grote belangstelling voor verstilling en lichtval. Download persbericht

Kamers vol kunst, in 17de-eeuws Antwerpen (25 maart 2010 t/m 27 juni 2010)
Een uniek genre in de schilderkunst: de kunstkamervoorstelling. Dit genre ontstond in 17de-eeuws Antwerpen en toont kamers vol kunst, denkbeeldige musea in het klein. De kern van de tentoonstelling Kamers vol kunst wordt gevormd door drie werken van Willem van Haecht (1593-1637), één van de belangrijkste grondleggers van het genre. Deze schilderijen zijn afkomstig uit het Mauritshuis, het Rubenshuis en een particuliere verzameling en worden nu voor het eerst gezamenlijk getoond. Naast de topstukken van Van Haecht zijn in de tentoonstelling meesterwerken uit andere internationale musea en particuliere verzamelingen te zien. Gezamenlijk brengen de zestien werken de fascinerende kunstwereld van Antwerpen in de 17de eeuw op onovertroffen wijze in beeld. Kamers vol kunst wordt georganiseerd in samenwerking met het Rubenshuis. Download persbericht

Te paard! De wereld van Philips Wouwerman (12 november 2009 t/m 28 februari 2010)
Philips Wouwerman (1619-1668) wordt beschouwd als de meest succesvolle Hollandse schilder in de Gouden Eeuw van voorstellingen met paarden. Zijn schilderijen waren uiterst gewild bij burgers en vorsten in heel Europa. Wouwerman was destijds niet alleen beroemder dan Rembrandt: hij was ook uitzonderlijk productief. Hoewel hij op betrekkelijk jonge leeftijd overleed, staan er bijna 600 schilderijen op zijn naam. Tot in de 19de eeuw was Wouwerman een beroemd schilder die uiterst gewild was bij burgers en vorsten in heel Europa. Tegenwoordig zijn Wouwermans schilderijen vooral bekend bij kenners en verzamelaars. Met deze overzichtstentoonstelling wil het Mauritshuis daar verandering in brengen en Wouwerman wederom bij het grote publiek introduceren.
Download persbericht

Groeten uit Bentheim, Jacob van Ruisdael  (26 februari t/m 31 mei 2009)
Jacob van Ruisdael is Nederlands grootste landschapschilder uit de 17de eeuw. Op de tentoonstelling “Groeten uit Bentheim, Jacob van Ruisdael”, die op 26 februari 2009 in het Mauritshuis te Den Haag opent voor het publiek, staat de fascinatie van deze schilder voor kasteel Bentheim centraal. Van Ruisdael zag de burcht voor het eerst in 1650 toen hij op reis was in het Nederlands-Duitse grensgebied. Hij schilderde het kasteel maar liefst 15 keer en liet zijn fantasie hier levendig op los. Op de tentoonstelling in Den Haag zijn zes van zijn gezichten op Kasteel Bentheim te zien. Ter aanvulling en vergelijking wordt van andere kunstenaars werk getoond waarin kasteel Bentheim figureert, zoals een schilderij van Berchem en tekeningen van Waterloo en De Moucheron.
Het Mauritshuis heeft een speciale band met de schilder Jacob van Ruisdael. Het eerste schilderij van Van Ruisdael in de collectie werd al vroeg in het bestaan van het museum verworven, in 1827 met hulp van koning Willem I. Ruim anderhalve eeuw later, in 1981-1982 nam het museum het initiatief tot de eerste, zeer uitgebreide overzichts-tentoonstelling van het werk van deze kunstenaar. En een paar jaar geleden, in 2005, kon het Mauritshuis, dankzij steun van velen (waaronder het ministerie van OCW, de Vrienden van het museum, de BankGiro Loterij en vele anderen) het prachtige "Gezicht op kasteel Bentheim" (c.1652-1654) kopen. Deze aanwinst vormt de aanleiding én het uitgangspunt van deze tentoonstelling.
Download persbericht

Bewonderde Stad (11 oktober 2008 t/m 11 januari 2009)
Hollandse stadsgezichten uit de Gouden eeuw / Tien steden, één wandeling
In het najaar van 2008 presenteert het Mauritshuis een tentoonstelling van Hollandse stadsgezichten uit de Gouden Eeuw. Stedelijke ontwikkeling was, net als tegenwoordig, heel actueel in de zeventiende eeuw. Buiten de stadspoorten werden nieuwe wallen opgeworpen, pleinen en markten ontstonden, straten en grachten werden aangelegd; de stad won steeds meer terrein. Veel schilders kregen bewondering voor de stad, die een nieuw en aantrekkelijk onderwerp voor ze vormde. De trouwste en bekendste beoefenaars van het genre waren Jan van der Heyden en Gerrit Berckheyde. Zij hebben Amsterdam en Haarlem veelvuldig vastgelegd. Ook landschapschilders zoals Jacob van Ruisdael, Jan van Goyen en Aelbert Cuyp gingen stadsgezichten schilderen. Het meesterlijke Gezicht op Delft van Vermeer, één van de imponerende topstukken uit de vaste collectie van het Mauritshuis, vormt het hoogtepunt van de tentoonstelling. Ook andere steden die in de zeventiende eeuw werden ‘geportretteerd’, maken deel uit van de tentoonstelling, zoals Dordrecht, Hoorn, Nijmegen, Middelburg en Den Haag.
Download persbericht

Hollanders in beeld (13 oktober 2007 t/m 13 januari 2008)
Portretten uit de Gouden Eeuw
In het najaar van 2007 toont het Mauritshuis een grote overzichtstentoonstelling van een van de meest fascinerende verschijnselen in de Westerse kunstgeschiedenis: de Nederlandse zeventiende-eeuwse portretschilderkunst. Nergens anders en nooit eerder werden zoveel portretten geschilderd van burgers in allerlei rangen. Desondanks is het ruim vijftig jaar geleden dat er voor het laatst een overzichtstentoonstelling aan dit boeiende onderwerp werd gewijd.
Met ongeveer 60 topstukken biedt de tentoonstelling een representatief overzicht van de 17de-eeuwse portretkunst. De twee grootste meesters van het genre zijn Rembrandt en Frans Hals. Ieder van hen is met minstens acht meesterwerken vertegenwoordigd. Daarnaast zullen van ongeveer 25 andere schilders een of enkele werken te zien zijn. Het aanbod van getalenteerde schilders in de Noordelijke Nederlanden was in de zeventiende eeuw ongekend groot. De tentoonstelling komt tot stand in samenwerking met de National Gallery in Londen, waar ze in de zomer van 2007 te zien is. De bruiklenen zijn afkomstig uit ruim 30 verschillende musea en particuliere collecties in Europa en de Verenigde Staten. Belangrijke bruikleengevers zijn de Royal Collection in Londen, de National Gallery of Art in Washington, de Alte Pinakothek in München, de Gemäldegalerie in Berlijn, het Musée du Louvre in Parijs en de Gemäldegalerie in Kassel.
Download persbericht

Rubens & Brueghel Samen (21 oktober 2006 t/m 28 januari 2007)
In het najaar van 2006 toont het Mauritshuis de tentoonstelling Rubens & Brueghel Samen over de bijzondere samenwerking tussen de kunstenaarsvrienden Peter Paul Rubens en Jan Brueghel de Oude. Deze twee toonaangevende Antwerpse kunstenaars bundelden hun krachten en maakten samen fenomenale schilderijen. Rubens schilderde de figuren en Brueghel het landschap met bloemen en dieren. Naast twaalf gezamenlijke schilderijen van Rubens en Brueghel worden samenwerkingen van hen met tijdgenoten getoond (b.v. Brueghel met Hendrick de Clerck, Rubens met Frans Snijders).
Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva van Rubens en Brueghel uit de eigen collectie van het Mauritshuis vormt de aanleiding voor het organiseren van deze tentoonstelling. Belangrijke bruiklenen zijn toegezegd uit onder andere het Prado in Madrid, Gemäldegalerie Kassel en het Metropolitan Museum of Art in New York. De tentoonstelling komt tot stand in samenwerking met het J. Paul Getty Museum in Los Angeles waar de tentoonstelling in de zomer van 2006 (5 juli -24 september) te zien zal zijn.
Download persbericht

Droom van Italië (11 maart 2006 t/m 25 juni 2006)
In het voorjaar van 2006 schijnt de zon in het Mauritshuis. Dan presenteert het museum de tentoonstelling Droom van Italië, over de liefde die kunstenaars eeuwenlang hebben gevoeld voor Italië, het land van licht, warmte, kunst en cultuur. Met een kleine vijftig uitzonderlijke meesterwerken wordt de veelzijdige aantrekkingskracht van Italië zichtbaar gemaakt.
“Droom van Italië” belooft verrassend te worden. De kunstwerken ontstonden in de zestiende tot en met de negentiende eeuw, in Frankrijk, Engeland, Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en in de Nederlanden. Een groot deel van de kunstenaars is zelden in Nederland te zien, zoals Claude Lorrain, Poussin, Turner, Corot, Ingres, Böcklin en Feuerbach. Zij schiepen heel verschillende visies op het droomland Italië, van precies getekende ruïnes tot vlugge schetsjes in olieverf, van zware symbolische voorstellingen tot paradijselijke landschappen.
Download persbericht

Hans Holbein (16 augustus 2003 t/m 16 november 2003)
Omstreeks 1700 liet koning-stadhouder Willem III (1650-1702) meer dan 30 schilderijen uit de Engelse koninklijke verzamelingen overbrengen naar Nederland, ter opluistering van zijn zojuist verbouwde jachtslot Het Loo bij Apeldoorn. Na zijn onverwachte dood werden de schilderijen teruggevorderd uit naam van zijn opvolgster, koningin Anne, maar de Nederlandse Staten-Generaal besloot aan dit verzoek geen gehoor te geven en de Engelsen drongen niet verder aan. Zo bleef een deel van deze collectie gedurende de gehele 18de eeuw in stadhouderlijk bezit, om in 1816 samen met de overige stadhouderlijke schilderijen door koning Willem I aan de Nederlandse Staat te worden geschonken ten behoeve van het in dat jaar opgerichte Koninklijk Kabinet van Schilderijen. In 1822 vond dat Kabinet definitief onderdak in het Mauritshuis.
Van de uit Engeland afkomstige schilderijen werden er in 1700 vijf toegeschreven aan Hans Holbein de Jonge. Drie daarvan kwamen in het Mauritshuis terecht. Naast een portret van Jane Seymour, dat tegenwoordig wordt toegeschreven aan het atelier van de kunstenaar, zijn dat Holbeins magistrale “Portret van Robert Cheseman” en het “Portret van een 28-jarige edelman met havik”. Dit zijn de enige twee schilderijen van Holbein in Nederlands openbaar bezit. De tentoonstelling kon dan ook alleen worden gerealiseerd dankzij de bereidwilligheid van velen, waaronder het Engels Koningshuis, om hun kostbare bezit tijdelijk af te staan.
De nadruk in de tentoonstelling ligt op de portretten die Holbein vervaardigde in Engeland gedurende de periode 1526-1528 en 1532-1543, die zowel maatschappelijk als artistiek het hoogtepunt van zijn loopbaan vormden. Maar ook uit zijn Bazelse periode is werk geselecteerd: het portret van Erasmus uit het Louvre en het “Darmstadt Madonna” uit het bezit van de Hessische Hausstiftung. Dit portret van de Bazelse burgemeester Jakob Meyer en zijn familie rond een beeltenis van de Madonna is misschien wel Holbeins beroemdste schilderij.