Nederland, Haarlem: Frans Hals Museum - tentoonstellingen
info:
Gouden Eeuw
Het Frans Hals Museum organiseert vrijwel ieder jaar een tijdelijke tentoonstelling. Onderstaande informatie is afkomstig van de website van het museum.


Hollandse meesters uit Boedapest. Topstukken uit het Szépmüvészeti Múzeum

(12 november 2016 t/m 12 februari 2017, verlengd t/m 5 maart 2017)
In de winter van 2016-2017 krijgt het Frans Hals Museum hoog bezoek uit het Szépmuvészeti Múzeum in Boedapest. Vanaf 12 november 2016 zijn er ruim 80 werken van Hollandse meesters uit een van de mooiste museale verzamelingen ter wereld te gast. In tegenstelling tot topmusea met vergelijkbare collecties Hollandse meesters, zoals het Louvre en de National Gallery, is die van het Hongaarse museum een onontdekte parel. Dankzij een ingrijpende verbouwing van het Szépmüvészeti Múzeum kreeg het Frans Hals Museum de kans om uitzonderlijke 17de eeuwse schilderijen naar Haarlem te halen. De tentoonstelling laat t/m 5 maart 2017 Haarlemse meesters zien naast bekende Hollandse en Vlaamse schilders, zoals Hendrick Avercamp, Jan Lievens en Anthony van Dyck.
Ter gelegenheid van het 350ste sterfjaar van Frans Hals in 2016 komen twee prachtige portretten van zijn hand uit Boedapest om herenigd te worden met zijn schilderijen in het Frans Hals Museum. Daarnaast zijn er in de tentoonstelling werken van enkele Haarlemse kunstenaars te zien, die tot nog toe niet vertegenwoordigd zijn in de collectie van het Frans Hals Museum, zoals Willem Buytewech en Dirck Bleker. Naast 57 schilderijen omvat de tentoonstelling ook 27 tekeningen van kunstenaars als Rembrandt, Karel van Mander en Frans Post.
Haarlem
In de tentoonstelling ligt de nadruk op Haarlem als centrum van vernieuwing in de 17de- eeuwse schilderkunst. Schilders die hun gehele carrière in Haarlem werkzaam waren zullen veel aandacht krijgen, maar ook kunstenaars die slechts korte tijd in Haarlem aan de slag waren of in de Spaarnestad zijn geboren, zijn vertegenwoordigd. Naast de genoemde portretten van Hals komen er uit Boedapest verleidelijke portretten van Johannes Verspronck. Van Jan Steen, Dirck Hals, Jan Miense Molenaer en Richard Brakenburgh zijn genrestukken te zien. Verder komen Haarlemse landschappen van onder meer Salomon van Ruysdael en Jacob van Ruisdael. Ook van Haarlemse stillevenschilders als Willem Claesz Heda en Jan Jansz van de Velde zijn prachtige werken aanwezig. De tentoonstelling legt een aantal parallellen tussen de collectie uit Boedapest en die van het Frans Hals Museum, zo gaan twee Haarlemse kerkinterieurs van Pieter Saenredam een dialoog met elkaar aan.
Holland
Naast de Haarlemse kunstenaars biedt de collectie van het Szépmüvészeti Múzeum een staalkaart van de Hollandse schilderkunst in de Gouden Eeuw in al haar facetten. De gekozen schilderijen van Hollandse en Vlaamse meesters zijn geselecteerd om nieuw licht te werpen op de Haarlemse stukken. Werk van Noord-Nederlandse schilders als Adriaen Coorte, Jan Lievens en Gerard Dou en van Zuid-Nederlandse meesters zoals Jan Brueghel en Anthony van Dyck wordt getoond om de relatie tussen schilderkunst in Haarlem en andere steden inzichtelijk te maken. Ook hierbij zijn alle genres vertegenwoordigd: portretten van Nicolaes Maes en Bartholomeus van der Helst, een historiestuk van Karel Dujardin, een genrestuk van Pieter de Hooch, een winterlandschap van Hendrick Avercamp en een stilleven van Willem van Aelst.
Tekeningen
Een selectie van 17de-eeuwse Nederlandse tekeningen uit Boedapest zal de tentoonstelling completeren. Van enkele Haarlemse kunstenaars zijn geen schilderijen maar wel bijzondere tekeningen in de collectie in Boedapest te vinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor Jan de Bray, Hendrick Goltzius en Karel van Mander. Hun tekeningen worden getoond naast die van Albert Cuyp, Paulus van Vianen en Rembrandt.

Frans Hals. Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan
(23 maart 2013 t/m 28 juli 2013)
In 2013 bestond het Frans Hals Museum 100 jaar! Dat werd gevierd met onder andere een bijzondere tentoonstelling. De tentoonstelling was een confrontatie van meesterschilders: Frans Hals tussen tijdgenoten en voorgangers als Titiaan, Rembrandt, Rubens, Van Dyck en Jordaens. Beroemde schilders maakten hun werken vaak in reactie op elkaar, met de bedoeling de ander te overtreffen. Het resultaat van hun inspanningen is dan ook het beste te beoordelen wanneer vergelijkbare werken zij aan zij te zien zijn. De tentoonstelling leverde dan ook spannende vergelijkingen op: de bezoeker kon zelf zien voor welke artistieke uitdagingen Hals moet hebben gestaan en wat hem uniek maakt.
De schilderijen waren afkomstig uit onder andere the National Gallery in Londen, het Prado in Madrid, het Louvre in Parijs en diverse particuliere collecties. Deze levendige selectie genrewerken toonde werken van Hals met zijn virtuoze penseelwerk en de mimiek van zijn lachende figuren, naast soortgelijke stukken van onder anderen Van Baburen, Jordaens en Van Dyck. Ook Hals’ grote groepsportretten gingen de dialoog aan met tijdgenoten. Het spectaculairst was wellicht de confrontatie van Hals’ laatste groepsportretten met de enige meester die op dat moment met eenzelfde bravoure durfde te schilderen: de late Rembrandt.
Frans Hals’ leermeester Karel van Mander adviseerde jonge schilders om een eigen schilderstijl te ontwikkelen die of heel precies ('net’) was, zoals Breughel, of juist heel grof ('ruw’), zoals Titiaan en Tintoretto. Frans Hals koos voor een ruwe manier, op de tentoonstelling o.a. te vergelijken met olieverfschetsen van Rubens en Van Dyck die eveneens deze 'ruwe’, virtuoze penseelstreek hanteerden. Daarnaast maakte de tentoonstelling duidelijk hoe dicht Hals zijn Antwerpse voorgangers naderde in de formele portretkunst. Voor een weergave van de tentoonstelling, klik hier.

Judith Leyster. De eerste vrouw die meesterschilder werd.
(19 december 2009 t/m 9 mei 2010)
Judith Leyster ( 1609 – 1660) is de bekendste vrouwelijke schilder uit de Nederlandse Gouden Eeuw. Terwijl veel vrouwelijke kunstenaars zich toelegden op precieze, natuurgetrouwe weergave van bloemen en insecten, waagde zij zich aan ambitieuze figuurstukken. Ze ging de concurrentie aan met Frans Hals en koos deels voor vergelijkbare onderwerpen: portretten, maar ook spelende kinderen, dansende muzikanten en een drinkende komediant. Daarnaast experimenteerde ze met vernieuwende lichteffecten in suggestieve, nachtelijke scènes. Net als haar onderwerpkeuze was haar penseelwerk gedurfd: trefzeker en los. Niet voor niets werd ze in 1633 ‘meesterschilder’, voor zover bekend als eerste vrouw in de Westerse wereld. Ze kreeg daarmee het recht een eigen werkplaats te openen en leerlingen aan te nemen.
Ter ere van haar 400-ste geboortedag organiseerden de National Gallery of Art in Washington en het Frans Hals Museum te Haarlem een kleine focustentoonstelling. Centraal stond Leyster’s meesterlijke 'Zelfportret' (c. 1632-33), waarin ze zich met verve presenteerde als portrettist én schilder van vrolijke gezelschappen. Samen met tien andere topstukken van haar hand liett het schilderij de ambitie en het talent zien van deze uitzonderlijke schilder.
Hoe ze precies is opgeleid is niet bekend, maar ze oogstte al lof toen ze nog maar achttien jaar oud was. De Haarlemse dichter Samuel Ampzing prees haar in zijn lofdicht op de stad Haarlem uit 1628 als ‘schilderes met goed en kloek verstand’. Hij suggereert dat ze op dat moment werkte in het atelier van Pieter de Grebber. Misschien heeft ze ook in het atelier van Frans Hals gewerkt. De informele sfeer die ze oproept in haar zelfportret is in elk geval op Hals geïnspireerd. Haar nonchalante pose en sprekende gezichtsuitdrukking, die de indruk geven dat we Leyster op een vluchtig moment treffen, bouwen voort op de vernieuwingen die Hals in de schilderkunst had geïntroduceerd. Ook haar vrolijke interieurscènes en losse penseelwerk in het algemeen roepen de vergelijking met Hals op. Anders dan Hals, was Leyster daarnaast ook geïnteresseerd in bijzondere lichteffecten – een passie die ze deelde met Rembrandt en de Utrechtse Caravaggisten.
Ondanks Leyster’s talent en ambitie zijn er niet zo veel werken van haar hand bewaard gebleven. Dit heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met de relatief korte tijd waarin ze als zelfstandig schilder werkzaam was. In 1636 trouwde Leyster met de Haarlemse kunstschilder Jan Miense Molenaer. Daarna schilderde ze, voor zover bekend, nauwelijks meer.
De schilderijen waren behalve uit de eigen collectie, afkomstig uit musea en privé-collecties uit Europa en de Verenigde Staten.

Rembrandt een jongensdroom. De collectie Kremer.
(14 februari 2009 t/m 14 juni 2009)

Echt belangrijke verzamelaars van oude kunst zijn schaars in Nederland. Het vergt veel kennis, ruime financiële middelen en nog meer geduld om een goede collectie aan te leggen. Bovendien treden vooraanstaande verzamelaars zelden in de openbaarheid. George en Ilone Kremer zijn in dit opzicht een uitzondering. Ze hebben er bewust voor gekozen om met hun verzameling naar buiten te treden. Niet alleen omdat ze trots zijn op hun collectie 17de-eeuwse Hollandse en Vlaamse meesters, maar ook omdat ze hun enthousiasme voor kunst en het plezier van het verzamelen op het publiek willen overdragen. Dat George en Ilone Kremer die passie niet voor zichzelf willen houden blijkt niet alleen uit het feit dat zij werken in langdurige bruikleen hebben gegeven aan verschillende Nederlandse musea, waaronder het Frans Hals Museum en het Mauritshuis, maar ook uit hun beslissing om de collectie van ruim 50 werken in haar volle omvang te tonen in het Frans Hals Museum.
De collectie Kremer omvat behalve werk van Rembrandt, Frans Hals en Isack van Ostade ook schilderijen van Ferdinand Bol, Adriaen Brouwer, Hendrick ter Brugghen, Adriaen Coorte, Gerrit Dou, Meindert Hobbema, Pieter de Hooch, Philips Koninck, Judith Leyster, Michael Sweerts en vele anderen. Met trots toonde het Frans Hals Museum deze collectie: die van museale kwaliteit was en absolute topstukken bevatte.
In 1960, als jongen van tien, werd George Kremer tijdens een bezoek aan het Rijksmuseum zo getroffen door Het Joodse Bruidje van Rembrandt, dat hij erover fantaseerde ooit zelf een Rembrandt te bezitten. Het zou nog tot na 1995 duren voordat deze droom werd vervuld. In dat jaar verwierf het echtpaar Kremer deTronie van een oude man met tulband, dat was toegeschreven aan de schilder Jacques de Rousseaux (ca. 1600 –1638). Na intensief onderzoek bestempelde het Rembrandt Research Project het schilderij echter tot een originele Rembrandt. De durf en het goede oog van de Kremers werden hiermee rijkelijk beloond. Dit schilderij en 3 etsplaten van Rembrandt zijn natuurlijk een onderdeel van de tentoonstelling.

’t Zit in de Genen! Vier schilders in één gezin: Dirck, Jan, Joseph en Salomon de Bray.
(2 februari t/m 22 juni 2008)

In 2008 was in het Frans Hals Museum een unieke overzichtstentoonstelling te zien van vier schilders in één gezin: Dirck, Jan, Joseph en Salomon de Bray. Uitzonderlijk schilderstalent zat bij alle vier in de genen. In het Frans Hals Museum kwamen ze na eeuwen voor het eerst weer tezamen. Vader Salomon en zoon Jan gelden als de grootste historieschilders die Haarlem heeft voortgebracht. Hun classicistische, verhalende en theatrale werken hebben een opvallende positie in de schilderkunst van de Gouden Eeuw. De jongere zonen Dirck en Joseph produceerden op hun beurt verfijnde bloemstillevens van een uitzonderlijke kwaliteit. Een veelzijdige familie, katholiek, universeel onderlegd en de spil van het culturele leven van het Haarlem in de Gouden Eeuw. De schilderijen waren behalve uit de eigen collectie, afkomstig uit musea en privé-collecties uit Europa en de Verenigde Staten.
Vader Salomon; universeel kunstenaar Salomon de Bray (1597 - 1664) was een veelzijdig man die naast het schilderen ook werkte als architect, stedenbouwkundige, dichter, theoreticus en als ontwerper van zilverwerk. Allereerst was hij echter historieschilder. Het uitbeelden van Bijbelse en klassieke geschiedenissen werd destijds gezien als de hoogste trap in de schilderkunst. Daarbij ging het vooral om de aansprekende weergave van het menselijk handelen en de morele keuzes daarachter. Zijn meest eervolle opdracht kreeg Salomon rond 1648 voor het maken van twee doeken voor de Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch, die Amalia van Solms liet decoreren ter nagedachtenis aan haar echtgenoot stadhouder Frederik Hendrik. Deze werken konden Huis ten Bosch uiteraard niet verlaten. Gelukkig zullen van Salomon 13 andere topstukken te zien zijn waaronder Badende nimf die haren kamt uit het Louvre in Parijs. Dit werk is zeer uitzonderlijk omdat er geen vroeger schilderij bekend is met ‘alleen maar’ een vrouwelijk naakt, zonder een handeling of attribuut dat van haar een Venus of Batsheba maakt.
Oudste zoon Jan de Bray: opvolger van Frans Hals Jan de Bray (ca. 1627 – 1698) werkte net als zijn vader als historieschilder voor de rijke, intellectuele elite. Na de dood van Frans Hals werd hij diens opvolger als de uitverkoren portretschilder van het Haarlemse patriciaat. Hij maakte naast historieschilderijen regentenportretten voor Haarlemse instellingen en drie schoorsteenstukken voor het stadhuis. Het Oordeel van Zaleucus had voor de tentoonstelling de schepenkamer van het Haarlemse stadhuis verlaten.Van Jan de Bray waren 29 werken te zien zijn waaronder het Banket van Antonius en Cleopatra uit de Royal Collection, Her Majesty Queen Elisabeth II in Londen.
Jongste zonen Joseph en Dirck: bloemstillevens Dirck (ca. 1635 – 1694) specialiseerde zich aanvankelijk in de prentkunst. Later legde hij zich, net als zijn broer Joseph (ca. 1632 – 1664), toe op het schilderen van bloemstillevens. Van Joseph en Dirck waren 8 werken op de tentoonstelling te zien.