Nederland: Schilders uit de Gouden eeuw
- Roelant Roghman
- Jacob v. Ruisdael
Stadsgezichten
Stedelijke ontwikkeling was, net als tegenwoordig, heel actueel in de 17de eeuw. Buiten de stadspoorten werden nieuwe wallen opgeworpen, pleinen en markten ontstonden, straten en grachten werden aangelegd; de stad won steeds meer terrein. Veel schilders kregen bewondering voor de stad, die een nieuw en aantrekkelijk onderwerp voor ze vormde. De trouwste en bekendste beoefenaars van het genre waren Jan van der Heyden en Gerrit Berckheyde. Zij hebben Amsterdam en Haarlem veelvuldig vastgelegd. Ook landschapschilders zoals Jacob van Ruisdael, Jan van Goyen en Aelbert Cuyp gingen stadsgezichten schilderen.
De stadsgezichten uit het begin van de 17de eeuw tonen vaak de silhouetten van steden. Dit heeft te maken met de oorsprong van het genre, dat nauw samenhangt met de opkomst van de cartografie in de zestiende eeuw. Het was toen gebruikelijk dat cartografen hun landkaarten versierden met de ‘skylines’ van steden, zogenaamde profielaanzichten. Vroege stadsgezichten tonen sterke overeenkomsten met deze profielaanzichten. Als kijker krijgen we een brede blik op de stad te zien van buiten de stadsmuren. Daarbij maakt de stad onderdeel uit van het omringende landschap met polders of water. Vandaar dat landschapschilders zich ook lieten verleiden tot het schilderen van steden. Zo liet Salomon van Ruysdael Nijmegen prachtig in het karakteristieke Waallandschap overlopen in zijn Gezicht op de Valkhof.
Een stadsgezicht kan worden gezien als een vorm van toenmalige ‘citymarketing’. Het toonde het stedelijke aanzien en gaf uitdrukking aan de trots van een stad. De karakteristieke monumenten, maar soms ook de nieuwbouw van toen, werden zorgvuldig vastgelegd. Soms namen schilders de werkelijkheid niet zo nauw en bedachten inventieve oplossingen om hun stad letterlijk zo goed mogelijk uit de verf te laten komen. De belangrijkste gebouwen zoals kerken en torens werden dan ook vaak groter afgebeeld dan ze in werkelijkheid waren. Dat een topografisch correcte weergave niet altijd het belangrijkste was in de succesvolle presentatie van een stad, blijkt het beste uit Vermeers Gezicht op Delft. Het was een strategische zet van Vermeer om de belangrijkste gebouwen uit zijn woonplaats dicht bij elkaar in hetzelfde schilderij te plaatsen.

Landschapschilderkunst
Rond 1650 veranderde de Hollandse landschapschilderkunst. Waren de voorstellingen tot die tijd ingetogen van kleur, daarna werden de landschappen dramatischer van karakter met sterke kleurcontrasten en een atmosferische helderheid. Deze nieuwe fase duurde tot ongeveer 1665 en staat bekend als de klassieke periode. In het werk van Jacob van Ruisdael bereikte deze klassieke landschapschilderkunst haar hoogtepunt.

Portretten
Portretten worden al sinds mensenheugenis geschilderd. Vanaf 1400 ontstaat er bij de burgerij in de Noordelijke Nederlanden een toenemende belangstelling voor het geschilderde portret. Aan het begin van de 17de eeuw krijgt de burgerij steeds meer macht en invloed waarmee de behoefte aan luxeproducten toeneemt. Onze voorouders worden trots op zichzelf en laten zich graag en veelvuldig portretteren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het portret in de Noordelijke Nederlanden in de 17de eeuw uitgroeit tot het meest beoefende genre in de schilderkunst. Bij grote lagen van de bevolking waren wel een of meer portretten in huis te vinden. Schilders als Frans Hals, Rembrandt, Thomas de Keyser, Johannes Verspronck en Nicolaes Maes kregen de opdrachten en voeren er wel bij.
Portretten werden altijd in opdracht gemaakt. Vaak zijn hun namen bekend en hebben we achtergrondinformatie over de afgebeelde personen tot onze beschikking. Bovendien is er veel te zien en te ontdekken op de schilderijen. Van de afgebeelde kleding, sieraden, haardracht is af te lezen hoe modebewust of welgesteld iemand was. Een zelfbewuste blik, een stoere houding, een schalkse lach of een markant sikje zeggen iets over iemands persoonlijkheid of karakter,  terwijl een attribuut of wapenschild meer over de achtergrond of het beroep van de geportretteerde onthullen. En dat is wat ons vandaag de dag nieuwsgierig maakt. Met wie staan we oog in oog? Vanzelfsprekend liet men zich het liefst van zijn beste kant zien op een portret. Maar Rembrandts fenomenale Portret van een oude man uit 1667 vormt daarop een uitzondering. Hier zien we een onderuitgezakte, informeel geklede man die zich niet bewust lijkt te zijn van de schilder die hem observeert. Sommige portretten doen ondanks hun ouderdom van vele eeuwen heel actueel aan. Het lijken haast alledaagse gezichten van mensen die je op iedere hoek van de straat zou kunnen tegenkomen.
De motieven in de 17de eeuw om een portret te laten maken, lijken weinig te verschillen van die van tegenwoordig. Nog steeds, en misschien wel steeds meer, laten wij portretten maken van onszelf, onze geliefden en onze kinderen, om thuis op te hangen of om cadeau te geven. Een geschilderd of gefotografeerd portret is een waardevolle herinnering aan een persoon, een bijzonder moment of een bepaalde fase in het leven, maar is vooral een teken van liefde of waardering.
In de 17de eeuw leidde een belangrijke benoeming vaak tot een individueel portret of tot een groepsportret. Maar men liet zich niet louter portretteren om aanzien of status te vergroten. Vrouw en kinderen werden ook op doek in intieme ‘familiekiekjes’ vastgelegd. Natuurlijk was een huwelijk een feestelijke aanleiding om een (dubbel-)portret te laten maken. Groepsportretten hadden een minder particulier karakter en werden gemaakt ter gelegenheid van een wisseling van bestuur van een charitatieve instelling, gilde of van een ander college.
Een mooi voorbeeld van een individueel portret is Hals’ Portret van Willem Coymans uit 1645 uit de National Gallery of Art in Washington. Dit portret is als het ware een momentopname van een jeugdige koopman, die met zijn losse, gekrulde lange haar de elegante nonchalance van de mode van de jonge generatie weergeeft. Portretten van echtparen of een familie werden vaak uitgevoerd als pendanten, twee schilderijen naast elkaar. Een vroeg portrettenpaar uit 1602 van een Hoorns echtpaar en hun kinderen door Jan Claesz is daar een prachtig voorbeeld van. Een dubbelportret maken betekende voor de portretschilder een extra uitdaging. Een van de meest geslaagde composities is Dubbelportret van Jan Rijcksen en zijn vrouw Griet Jans, van Rembrandt uit 1633, afkomstig uit de Royal Collection in Londen. Hier is heel mooi weergegeven hoe de scheepsbouwer van zijn ontwerptekening opkijkt wanneer zijn vrouw hem een brief aanreikt.
Familieportretten (bijvoorbeeld van Jan Miense Molenaer) zijn bijzonder waardevol en interessant, omdat ze ons onder andere laten zien hoe rijke burgers hun huizen inrichtten in de 17de eeuw. Kinderportretten zoals van Jacob Cuyp, Jan Steen en Salomon de Bray zijn aandoenlijk. Bovendien vertellen ze iets over de positie van het kind in die tijd en over de relatie tussen ouders en kinderen.
In de groepsportretten is een duidelijke ontwikkeling te herkennen. Op vroege groepsportretten zijn de geportretteerden vrij statisch afgebeeld, naast en boven elkaar. Vernieuwend is Rembrandts vroegste groepsportret. De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp uit 1632. Dit meesterwerk maakte hem in één klap de meest gevierde portretschilder in de Republiek. Regentenstukken zijn groepsportretten van bestuurders van liefdadigheidsinstellingen (gasthuizen, weeshuizen of hofjes) en werden in de 17de eeuw in openbare ruimtes opgehangen. Deze zijn bij uitstek illustratief voor het georganiseerde karakter van de samenleving in ons land destijds: zij getuigen van de zorg voor de medemens en de formele organisatie van de diverse instellingen. De regenten en regentessen van de Amsterdamse Voetboogdoelen (Bartholomeus van der Helst) en van het Haarlemse St. Elizabethgasthuis (Frans Hals) zullen onder andere te zien zijn op de tentoonstelling.

Bron: website Mauritshuis.